• Van Neynsel

De leefsferen

Iedere bewoner heeft zijn leven doorgebracht in een of meer sociale milieus. Een sociaal milieu kenmerkt zich door een aantal gemeenschappelijke eigenschappen. Dat wil zeggen dat een groot aantal mensen uit een overeenkomstig milieu dezelfde belangstelling deelt, op een bepaalde manier met elkaar omgaat, min of meer dezelfde dingen mooi en lelijk vindt. Kortom: dat zij tot op zekere hoogte dezelfde gewoonten en gebruiken hebben.

Wanneer iemand dementie heeft, wordt hij opeens uit het vertrouwde milieu gehaald. De toch al gedesoriënteerde nieuwe bewoner van een verpleeghuis staat dan voor de opgave om zich aan te passen aan een vreemde omgeving. Door de dementie zijn de vermogens om te wennen aan een nieuwe omgeving sterk afgenomen. Aanpassing kost dan ook veel moeite. Wanneer deze bewoner terechtkomt in een woonomgeving die grotendeels overeenkomt met de sfeer die de bewoner gewend was, zal het proces van aanpassing voorspoediger verlopen. En ondanks dat wij het thuismilieu niet kunnen vervangen, wordt de omgeving van Boswijk wel als meer vertrouwd ervaren.

Vijf leefsferen

Boswijk kent vijf leefsfeergroepen. In zo’n leefsfeergroep vindt de bewoner veel van de kenmerken terug die hem herinneren aan vroeger. Het doel van deze leefsfeerfilosofie is de bewoners ankers van veiligheid en geborgenheid bieden.

In leefsfeer 1 vinden we de middenstanders, mensen die leven van de opbrengst van producten die ze verkopen. Die producten zijn goederen of diensten. Tot de middenstand behoren bijvoorbeeld winkeliers, handelaren, caféhouders, zelfstandige huisschilders, garagehouders en aannemers.

Middenstanders nemen een speciale en enigszins geïsoleerde positie in tegenover andere mensen. Met andere middenstanders hebben ze gezamenlijke belangen, zoals klanten trekken, maar tegelijkertijd ook conflicterende belangen, als ze elkaars concurrenten zijn.

Middenstanders moeten goed met mensen kunnen omgaan. Ze moeten aanvoelen wat hun klanten willen en ervoor zorgen dat ze dat ook krijgen. Ze komen veel te weten over dorp of buurt en ze mogen die vertrouwenspositie niet misbruiken. Tegenover klanten kunnen ze zelden onbekommerd zichzelf zijn. Zelfs als klanten hen onheus bejegenen of slecht betalen, kunnen middenstanders zich niet permitteren hen als klant te verliezen.

Naar buiten toe zal de middenstander niet uitgesproken ingaan op de heersende moraal en in kleding en uiterlijk zal men zich aanpassen aan de normen van de klantenkring. Een vriendelijke en voorkomende houding is belangrijk, maar het eigen wel en wee wordt niet met de klant besproken, dit houdt men liever binnenshuis.

In de vaak voorkomende situatie dat vader en moeder werkzaam zijn in de zaak en de kinderen bijspringen, werden de relaties binnen het gezin mede bepaald door de rol die iedereen daarin vervulde. Kinderen op hun beurt hadden het werk niet gekozen en deden het als hun kinderplicht.

Middenstanders hadden vroeger meestal een iets betere scholing dan het gros van de mensen: zonder lezen en schrijven, rekenen en de weg weten in de wereld kwam je niet verder. Doorleren vonden ze belangrijk voor hun kinderen; die konden later niet allemaal in de zaak en moesten toch goed terechtkomen.

Enerzijds waren de middenstanders dus eigen baas en gewend om zelfstandig te opereren, anderzijds werd hun leven vierentwintig uur per dag bepaald door de eisen van het bedrijf. Constante onzekerheid, bijvoorbeeld over het weer, de concurrent, de conjunctuur, de mode en al die andere dingen waarvan je afhankelijk kunt zijn en waar je niets aan kunt doen, maken dat de middenstander altijd alert moet zijn en dat zijn werk nooit klaar is. Zuinigheid en flink aan kunnen pakken zijn niet voor niets voor middenstanders spreekwoordelijke deugden geworden.

De schaarse vrije tijd werd besteed aan ontspannende activiteiten als het luisteren naar hoorspelen, later het kijken naar de tv, een avondje uit met vrienden e.d.. Zodra zij de zaak achter zich laten, verandert hun leven drastisch en gebeurt het vaak, dat deze mensen op oudere leeftijd helemaal niet zoveel behoefte meer hebben aan allerlei activiteiten en geluk vooral vinden in (passief) genieten. Sommigen vinden het echter moeilijk om afstand te nemen van de zaak als deze
na hun vertrek is blijven voortbestaan. Men wil het reilen en zeilen van het bedrijf blijven volgen en in drukke tijden springt men graag even bij.

Gebruiken

  • De dag wordt grotendeels bepaald door de winkel of het bedrijf.
  • Rustige sfeer in de huiskamer, wel met plaats voor gezelligheid.
  • Zondag is een familiedag.
  • Het geloof neemt een belangrijke plaats in.
  • Men is gesteld op een nette verzorgde omgeving en uiterlijk. Huishoudelijk werk wordt uitbesteed.

Maaltijden

  • Maaltijden nemen een centrale plaats in, het zijn rustpunten in de dag.
  • De tafel wordt voor alle maaltijden keurig gedekt; (o.a. schalen, servetten).
  • ’s Avonds eet men warm, op zaterdag een maaltijdsoep.
  • De kwaliteit van de maaltijd is belangrijk.
  • Men is gesteld op nette tafelmanieren.
  • Mogelijkheid tot bidden voor de maaltijd.

Vrije tijd

  • Door de vele werkzaamheden weinig tijd voor hobby’s.
  • De schaarse vrije tijd vult men met luisteren naar muziek, tv kijken en lezen (tijdschriften, krant).

Omgang

  • In de benadering naar anderen stelt men zich veelal vriendelijk, beleefd en neutraal op.
  • De eigen mening en moeilijkheden werd niet geventileerd.
  • Men is gewend de eigen zaakjes te regelen.
  • Het taalgebruik moet correct zijn, de omgang ordelijk en netjes.
  • Men is gewend altijd te groeten en aandacht te geven en goed te luisteren naar anderen.

Interieur

  • Degelijk meubilair (veelal eiken), dressoirkast en makkelijke stoelen.
  • De woonkamer is met zorg ingericht, met veel aandacht voor sfeer.
  • De warme uitstraling creëerde men door planten, bloemen, gordijnen/ vitrage, schilderijen, (schemer)lampen en dierbare voorwerpen.
  • Op tafels legt men kleden.

In leefsfeer 2 wonen mensen die vroeger in de stad leefden. De rollen waren meestal traditioneel verdeeld: de meeste mannen waren in loondienst en gingen elke dag het huis uit naar hun werk, de meeste vrouwen waren thuis en deden het huishouden.

Na de lagere school, eventueel verlengd met de zevende of achtste klas, ging men vaak onmiddellijk aan het werk. Vanwege de industriële ontwikkelingen nam de vraag naar geschoolde arbeid toe. Sommigen kregen de mogelijkheid om een opleiding te volgen op een bedrijfsschool, zoals Philips. Om de meisjes voor te bereiden op hun taak van huismoeder gingen zij naar het vormingsonderwijs en de huishoudschool.

Door het leven in de stad zijn deze mensen gewend zich niet overdreven veel aan te trekken van het gedrag en de mening van vreemden. Gezagsverhoudingen zijn belangrijk, maar autoriteiten moeten wel laten zien dat ze hun gezag waard zijn, anders hoeven ze niet op veel achting te rekenen. Familieleden daarentegen, en vooral kinderen, spelen een bepalende rol in het leven, evenals de mensen met wie een zelfgekozen band is aangegaan, zoals medeleden van verenigingen of clubs. De belangrijkste plaats in hun wereld is de woning en de buurt/wijk waarin die staat. Het huis als centrale plaats in hun bestaan was vaak een middel om de eigenheid te laten zien. Niet zozeer de stijl, als wel de persoonlijke betekenis van de spulletjes deed ertoe.

Hard werken en het werk goed verrichten, dwingt bij anderen respect af. Voor mannen gold dit in hun baan, voor vrouwen in hun huishouden en verzorgende taken. Daardoor zijn veel van deze mensen gewend aan een vaste indeling van de tijd; vaste werktijden, vaste dagen voor activiteiten, zoals grote schoonmaak in de lente, schoenenpoetsen op zaterdag en familiebezoek op zondag. Vaste tijden helpen om alles naar behoren te doen en af te krijgen. In de vrije tijd nam men graag deel aan het verenigingsleven, zoals een sportclub, kaartclub, carnavalsvereniging, katholieke vrouwenbond etc.

In de omgang zijn betrokkenheid, bereidheid tot helpen en tolerantie belangrijke waarden. Uiteindelijk beschouwt men een ieder als een gewoon mens en er bestaat geen reden om tegen gewone mensen onvriendelijk te zijn. Wie zich verbeeldt meer te zijn dan een ander, is aan het verkeerde adres. Een autoritaire of arrogante houding roept boosheid of verzet op.

In contacten met naasten wordt betrokkenheid vaak praktisch geuit. Emoties mogen duidelijk aanwezig zijn, maar er veel over nadenken of praten wordt niet gedaan. Men zal eerder pogen goed te zijn voor de ander, hem te troosten of afleiding te bieden. Naar de kinderen toe is de houding sterk beschermend.

Tegenover visite is het belangrijk dat men goed voor de dag komt. Men ziet er netjes en goed verzorgd uit en het mag de gasten qua eten en drinken aan niets ontbreken. Als men op zichzelf is, mag men zichzelf zijn en maakt men zich niet druk om het uiterlijk.

In de sociale omgang vindt men het plezierig om met elkaar te discussiëren. Het is een manier om meningen en gevoelens te ventileren. Inhoudelijk wordt het zelden persoonlijk en men drijft de zaak niet onnodig op de spits.

Gebruiken

  • Men kent een duidelijke rolverdeling: mannen doen klussen in en rondom het huis, vrouwen doen de huishoudelijke taken.
  • Er wordt een vast ritme in de week gevolgd voor de huishoudelijke taken. Zondag rustdag (kerkbezoek, borreltje, familiebezoek, sport).
  • Wekelijkse bad- of douchebeurt. Niet dagelijks.
  • Met regelmaat naar de kapper of thuis krullen inzetten.
  • Bidden voor het naar bed gaan, soms met de rozenkrans.

Maaltijden

  • ’s Avonds gebruikt men de warme maaltijd. Voor het ontbijt wordt de tafel niet echt gedekt.
  • Gezellig samen met het gezin eten is belangrijk.
  • Men kent een doordeweeks en zondags servies en ook de maaltijden waren gedurende de week eenvoudiger dan op zondag.
  • Mogelijkheid tot bidden voor en na de maaltijd.

Vrije tijd

  • Volop deelname aan het verenigingsleven.
  • Op bezoek gaan bij familie, vrienden en kennissen.
  • TV en radio veel aan (leven in huis).
  • Veel huishoudelijk werk met om 10.30 uur koffietijd met koekjes.
  • Krant lezen, kaarten, naar sport kijken, wandelen of fietsen met een doel.
  • Af en toe uitstapjes naar bijvoorbeeld de schouwburg of de Sint Jan.

Omgang

  • Vriendelijk, gezellig en gewoon doen.
  • Emoties zijn wel aanwezig, maar daar wordt niet zo zeer over gepraat, er wordt meer praktisch mee omgegaan.
  • Men wil er graag netjes uitzien zeker als men de deur uitgaat of als er bezoek komt.
  • Men is gewend om meningen te geven en discussies te voeren met eenvoudig taalgebruik.
  • Men doet graag dingen in groepsverband.

Interieur

  • Over het algemeen druk en gezellig met veel tierlantijntjes.
  • Een dressoir met een loper en diverse spullen erop.
  • Een bankstel met salontafel en een eiken eettafel.
  • Veel schemerlampen, (staande, wand en tafel modellen).
  • Planten in de vensterbank, velours gordijnen en behang met een motiefje.
  • Aan de muur schilderijen, foto’s, borduurwerkjes, kalender en een kruisbeeld boven de deur.
  • Kachel / haard met schouw.
  • Volop gebruik van kleden, op kasten en tafels en op de grond een karpet.

In leefsfeer 3 vinden we mensen die vroeger in het dorp woonden, een kleine boerderij of tuinderij hadden of in dorpse sfeer in loondienst werkten. Vaak combineerden ze die twee noodgedwongen.

Het dorp was een tamelijk gesloten gemeenschap, die zich in de beleving van de bewoners op belangrijke punten onderscheidde van andere dorpen en zeker van de stad. Om het leven binnen die gesloten gemeenschap leefbaar te houden, was het zaak zich te houden aan de ongeschreven regels die de onderlinge relaties regelden. De mensen waren zeer gevoelig voor autoriteit en de gezagsverhoudingen waren duidelijk. Het gezag berustte onder andere bij de burgemeester, de pastoor, het hoofd van de school en eventueel de werkgever. Het gezag spreidde zich echter niet uit tot alle terreinen. Wat er binnen een gezin of boerenbedrijf gebeurde, hield men zoveel mogelijk achter gesloten deuren. Met andere woorden; men erkende het gezag, maar naaide zoveel mogelijk de eigen naad.

In veel boerengezinnen ‘was vader wel de baas, maar wat moeder zei gebeurde’, zoals een Brabantse zegswijze luidde. Kinderen moesten gehoorzamen en hadden verplichtingen aan hun ouders: vaak werden die, als ze oud of hulpbehoeftig werden, in huis genomen.

Het gezin, soms uitgebreid met grootouders en bij boeren met inwonende knecht of meid, was de spil van het sociale leven. Daarna kwamen overige familieleden, maar bijna even belangrijk was de buurt. Traditie regelde de burenplicht: onder meer om in te springen bij het oogsten of de slacht, bij ziekte of begrafenissen, maar ook bij geboorte en huwelijksfeesten. De buurt vormde meestal ook de kennissenkring.

Het werk bestond vaak uit zware lichamelijke arbeid en vrije tijd was schaars. Zeker op boerderijen was er veel werk dat dagelijks terugkeerde. Het was vaak buitenwerk en volgde het ritme van licht en donker en van de seizoenen. Zeker ‘s-zomers waren de werkdagen lang. Op de boerderij deelde iedereen in de dagelijkse arbeid. Mannen deden de akkers, de weilanden en het grote vee, vrouwen het huishouden, maar ook het jonge vee, de kippen en de moestuin. Vanwege de vele werkzaamheden kregen de kinderen hierin hun eigen taken en bleef er voor hun maar weinig ruimte over voor vrijetijdsbesteding.

Door de mechanisering in het boerenbedrijf eind jaren vijftig werd meer scholing noodzakelijk. De meeste kennis die de boer nodig had, werd van de ouders op de kinderen doorgegeven. Later werd de land- en tuinbouwschool al snel een voorwaarde om mee te kunnen.

Maar ook de dorpeling die in loondienst was, had thuis nog heel wat werk, bijvoorbeeld aan de moestuin. De vrouwen hadden aan een gezin met kinderen een dagtaak, in het bekende weekritme: maandag wasdag, dinsdag strijken, etc. Voor de kinderen was de opleiding over het algemeen kort: lagere school (met eventueel een zevende klas). Daarna was het voor zowel jongens als meisjes werken geblazen.

Een dorpsgemeenschap was in veel levensbehoeften zelfvoorzienend, maar er was geen sprake van overvloed. Tevreden kunnen zijn met wat er is, was een belangrijke deugd en verspillen was een ‘zonde’. De kleine, gesloten gemeenschap, waarin ieder van de anderen afhankelijk is, maakt dat de eigen gevoelens en sympathieën niet op de eerste plaats komen bij de omgang met andere mensen. Je houdt je aan de traditie en aan de ongeschreven regels. Ieder neemt zijn verantwoordelijkheid en verricht het werk dat men van hem of haar mag verwachten.

Het geloof was voor velen een leidraad in het leven, het bepaalde het ritme en de structuur van alledag. Kerkelijke geboden en verboden bepaalden voor het leeuwendeel de normen en waarden. Kerkelijke feesten markeerden de loop van een jaar. Het gemeenschapsleven, zoals de voetvalclub, de vrouwenbond en de harmonie, droegen meestal een katholiek stempel.

Gebruiken

  • Grote regelmaat in het dagelijkse leven.
  • Het gezin is belangrijk, het gezinsleven speelt zich veelal af in de keuken, van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat hard werken, wel afhankelijk van het seizoen.
  • Vrouwen hebben veel huishoudelijke taken.
  • Zondag rustdag, men gebruikt de ‘goede‘ kamer en draagt zondagse kleren.
  • Geloof loopt als leidraad door het leven.
  • Het gezin is belangrijk.

Maaltijden

  • Doordeweeks eet men eenvoudige maaltijden, in het weekend lekkerder dan anders.
  • Men eet vaak gezamenlijk, meestal in de keuken.
  • Het ontbijt is kort maar krachtig, ’s middags gebruikt men de warme maaltijd.
  • De tafel wordt gedekt, pannen staan op tafel.

Vrije tijd

  • Men had weinig vrije tijd.
  • Na de kerk bezoeken de mannen vaak verenigingen in het café (kaarten, biljarten).
  • Vrouwen nemen geen deel aan het verenigingsleven (wel op latere leeftijd). Zij besteden de vrije tijd ‘zinvol’ met breien, kleding maken, sokken stoppen.

Omgang

  • Men heeft een sterk autoriteitsgevoel.
  • Beleefdheid staat hoog in het vaandel.
  • Orde en netheid zie je overal in terug (dagindeling, leefomgeving).
  • Men is zeer zorgzaam naar elkaar toe, met name in praktische zin.
  • Emotionele uitingen worden veelal niet in het openbaar gedaan.

Interieur

  • De inrichting is zeer functioneel en vooral degelijk gemaakt.
  • Men heeft geen behoefte aan tierelantijntjes.
  • De uitstraling is veelal sober.
  • Planten, vaak seizoengebonden of vetplantje, sanseveria.
  • Aan de muur hangen schilderijen (landschappen of een boerderij) en familiefoto’s.

De bewoners van leefsfeer 4 waren veelal in dienst van de overheid. In verschillende beroepen en functies waren zij vertegenwoordigers van een hoger gezag, hetgeen verplichtingen met zich meebracht die hun leven sterk bepaalden. Voorbeelden zijn ambtenaren, personeel in de gezondheidszorg en het onderwijs, geestelijken, politie-agenten en militairen. Deze mensen zijn geneigd zich te richten naar normen en velen houden zich bezig met levensbeschouwelijke en zingevingvraagstukken. Zeker in die beroepsgroepen die geacht werden normen aan anderen over te dragen, zoals onderwijzend personeel en geestelijken.

De onderlinge verhoudingen binnen deze leefsfeer waren sterk hiërarchisch. Iedere gezagsbekleder heeft gezag over lagere rangen. Iedere hogere rang levert meer aanzien en geld op. Veel ambtenaren hadden uitzicht op promotie. Niet alleen capaciteiten, arbeidsprestaties of verdiensten speelden een grote rol bij promotie, maar eveneens goed gedrag en gezagsgetrouwheid. In financieel opzicht werd het leven van de ambtenaar gekenmerkt door zekerheid. Had een jonge ambtenaar eenmaal een vaste aanstelling, dan had hij een zekerheid die niemand anders in loondienst zo kende. Ambtenaren werden niet ontslagen, zij hadden een uitgestippeld patroon van inkomsten en een pensioen.

In deze leefsfeer treffen we ook wel mensen aan die door hun kennis en hun vermogen tot kritisch en beschouwend nadenken, soms baanbrekende ideeën opperden, en die zich niet voegden naar de geldende normen en regels. Ambtenaar of geestelijke worden was ook een mogelijkheid om uit een andere stand promotie te maken. Daarvoor was het dan wel nodig dat je een goede opleiding kon volgen. Veel mensen werkten zich door het volgen van cursussen en avondopleidingen verder op. Kennis en vaardigheden vormden in dit geval je kapitaal en werden dan ook erg belangrijk gevonden.

De vrije tijd wilde men graag zinvol invullen en deelname aan het verenigingsleven berustte vooral op de inhoud van de activiteit en niet zozeer bij de sociale contacten.

De vrouw had vaak een traditionele rol in het gezin. Na het huwelijk stopten de meeste vrouwen met werken buitenshuis. De overheid nam geen getrouwde vrouwen in dienst en in het onderwijs werden ze zelfs ontslagen uit vaste dienst.

Goede manieren, principes, regels, orde en gezag waren voor velen de leidraad in het leven. Kinderen werden beschermd opgevoed. Wel was de opvoeding vaak streng en gericht op vooruitkomen in het leven. Kinderen werden gestimuleerd om te leren: ook voor hen zou kennis hun voornaamste kapitaal zijn. De levensstijl werd sterk bepaald door een opvatting van fatsoen, die er vooral voor moest zorgen dat het eigen gedrag ‘onbesproken’ bleef. Bovendien mochten ook kinderen niet door onbetamelijk gedrag de reputatie van hun vader in gevaar brengen. Dit alles betekent overigens niet dat er in het gezin en in persoonlijke relaties geen warmte of gezelligheid te vinden was.

Naar buiten toe stelde men zich over het algemeen wat gereserveerd op. Men wilde de ander niet tot last zijn en zelf ook graag een beetje met rust gelaten worden. In de omgang met anderen hechtte men veel waarde aan goede manieren en weinig opvallend gedrag.

Qua uiterlijk ziet men er graag keurig verzorgd uit. Men moet echter niet teveel opvallen en uitbundigheid is uit den boze. De kleding is stijlvol, van goede kwaliteit en niet aan mode onderhevig.

Gebruiken

  • Regelmaat in het dagelijkse leven.
  • Rustige sfeer in huis, radio en tv gaan selectief aan.
  • Uitgaven zijn weloverwogen, men is gericht op kwaliteit.
  • Individuele ontplooiing heeft men hoog in het vaandel.
  • Verzorgd uiterlijk is belangrijk.

Maaltijden

  • Men houdt van gezonde, verantwoorde maaltijden.
  • De tafel wordt netjes gedekt.
  • Het streven is gezamenlijk de maaltijden te gebruiken.
  • ’s Middags warme maaltijd, ’s avonds de broodmaaltijd.
  • Mogelijkheid tot bidden of bijbel lezen voor/ na de maaltijd.

Vrije tijd

  • (Woord)spelletje doen.
  • Lezen, muziek maken, samen zingen.
  • De tv en radio worden verantwoord gebruikt.
  • De inhoud van gekozen verenigingen speelt een belangrijke rol.

Omgang

  • Men hecht waarde aan een betrouwbare, vormelijke / gereserveerde omgang.
  • Goede manieren, principes en regels zijn belangrijk.
  • Niet gewend emoties te uiten.
  • Men hoeft niet op de voorgrond te staan.
  • Men heeft gevoel voor gezagsverhoudingen.

Interieur

  • Kwalitatief goede meubels (eiken, noten, mahonie).
  • Niet uitbundig, eerder sobere en ingetogen inrichting.
  • Salontafel met ‘luie’ stoelen er omheen
  • Weinig aan de muur, wel kalender, schilderij, kruisbeeld.
  • Boekenkast met encyclopedie, kunst- en natuurboeken, atlas, bijbel etc.
  • Een plekje om je terug te trekken.

In leefsfeer 5 vinden we een grote diversiteit van bewoners, maar een gemeenschappelijk kenmerk lijkt te zijn dat zij hun leven in een zekere welstand hebben geleefd. Misschien is het gemakkelijker om hier de wat ouderwetse verzamelnaam ‘notabelen’ te gebruiken.

De bewoners van deze leefsfeer kennen – van oudsher overgeërfd of zelf verworven – een zekere welstand. Geld en bezittingen, vooral als ze al lang in de familie zijn, worden niet als rijkdom ervaren die uitgegeven of verkwist kan worden, maar eerder als een verplichting om goed te beheren. Welstand zorgt ervoor dat men niet afhankelijk is van andere mensen en dat men niet voortdurend rekening hoeft te houden met anderen om door het leven te komen.

Door de grote autonomie hebben deze mensen de regie over hun leven meer in eigen hand en zijn zij daardoor ook gewend om de ruimte voor zichzelf te nemen.

Over het algemeen hebben deze mensen een goede opleiding genoten. Aan kinderen worden hoge eisen gesteld; ze krijgen alle tijd en faciliteiten om een bepaald opleidingsniveau te halen.

De mannen in deze groep hebben vaak aanzienlijke functies gehad en zagen vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid de plicht om maatschappelijk actief te zijn, bijvoorbeeld in besturen of als adviseur en beschermheer. Bij sommige mensen is dit echter alleen een houding. Kunst en cultuur waren belangrijke facetten van zowel de persoonlijke ontplooiing als de vrijetijdsbesteding.

De levenspartner vond men bijna altijd binnen de eigen stand. De huishouding en de verzorging van de kinderen besteedde men dikwijls uit aan personeel. Hierdoor hielden veel vrouwen tijd over voor bestuursfuncties in vrijwilligersorganisaties als de Zonnebloem of het Rode Kruis.

Evenals bij de andere leefsferen kennen de notabelen een eigen cultuur. Trots en de kracht om anderen niets te laten merken van de eigen moeilijkheden zijn gemeenschappelijke kenmerken. Tegenover afwijkend gedrag in eigen kring staan ze tamelijk tolerant: als het enigszins kan zullen ze het uitleggen als een uiting van karakter. Slapte en verlies van trots worden veroordeeld. Meer dan in andere groepen staan hier het individu en de persoonlijke vrijheid voorop.

Communicatie is een belangrijk onderdeel van het interpersoonlijk contact; converseren is een kunst in deze kringen. Het bespreken van gevoelens gebeurt voornamelijk in de huiselijke sfeer.

Vooral mensen die al generaties lang deel uitmaken van deze groep, houden niet van uiterlijk vertoon. Kwaliteitskleding, klassieke interieurs en bijzondere huizen geven een zekere uitstraling, maar zich laten voorstaan op rijkdom is ‘not done’. Zij zullen wel willen investeren in persoonlijke ontwikkeling en kwaliteit, maar geen geld verkwisten om te tonen wie ze zijn. Sommige welgestelden willen zich wel met extravagante spullen onderscheiden.

Klachten over sociale verhoudingen of verzet daartegen roepen vaak minachting of veroordeling op: mensen moeten hun plaats kennen. In individuele contacten stellen notabelen zich vaak beminnelijk en belangstellend op.

Notabelen hadden op het platteland wel een iets andere positie dan in de stad. Op het platteland waren zij vaak de markante figuren van de streek. Ze waren gezien en genoten respect. Op feesten waren ze vaak eregasten. Ze waren dikwijls gehecht aan de streek en dat maakte dat hun belangen vaak dezelfde waren als die van hun streekgenoten. De notabelen konden door hun macht en netwerken de belangen van de streek behartigen.

In de stad woonden de notabelen veelal bij elkaar in de ‘betere buurten’ en waren ze buiten de eigen kring tamelijk onbekend.

Gebruiken

  • Veelal heeft men een goede opleiding genoten en bekleedt men aanzienlijke functies.
  • Men leeft in een zekere welstand (overgeërfd of zelf verworven).
  • Geld of bezittingen worden niet verkwist, maar goed beheerd.
  • Huishouding en opvoeding besteedt men dikwijls uit aan personeel.
  • Zowel mannen als vrouwen hebben een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid (o.a. bestuursfuncties, adviseurschap).
  • Het geloof is erg individuafhankelijk.

Maaltijden

  • Het ontbijt en de warme avondmaaltijd worden meestal gezamenlijk genuttigd.
  • Men houdt van uitgebreid tafelen.
  • De tafels zijn keurig gedekt.
  • Aan de maaltijd gaat een aperitief vooraf en wordt afgesloten met een kopje koffie.
  • Er worden geregeld gasten uitgenodigd om te komen dineren.

Vrije tijd

  • Men geniet van culturele uitjes (museum, concert, theater).
  • Men is lid van societyclubs (Rotary, Ronde Tafel, Lions).
  • Bestuursfuncties bij verenigingen of vrijwilligersorganisaties.
  • Sporten: tennis, jeu-de-boules, hockey, paardrijden, bridgen.
  • Dineren in een restaurant.
  • Musiceren en lezen (literaire romans, kunst en cultuurboeken, wetenschappelijke bladen).
  • Reizen maken.

Omgang

  • Door welstand is men niet afhankelijk van anderen.
  • Grote autonomie, waardoor meer regie over eigen leven.
  • Men is niet bescheiden, maar trots en gewend om ruimte voor zichzelf te nemen.
  • Communicatie is belangrijk in het interpersoonlijke contact, converseren een kunst.
  • Het individu en zijn persoonlijke vrijheid staan voorop.
  • Eigen moeilijkheden worden niet naar buiten gebracht.
  • Men hecht waarde aan etiquette.

Interieur

  • Stijlvolle inrichting (klassiek of modern design).
  • Orde en netheid in de huiskamer.
  • Echte kunst in huis (schilderijen, beelden, mooi glas en zilverwerk).
  • Secretaire en boekenkast.
  • Piano of ander muziekinstrument.
  • Boeketten.